Danzón

Danzón was de eerste nationale dans van Cuba — de vorm die in de late 19e en vroege 20e eeuw de identiteit van de Cubaanse populaire muziek verenigde, en de voorloper van mambo"> mambo, cha-cha-chá en uiteindelijk timba"> timba.

Geboorte: 1879

Op 1 januari 1879, in de danszaal El Liceo in Matanzas, bracht het orkest van Miguel Faílde een nieuw stuk ten gehore: "Las Alturas de Simpson." Dit wordt officieel erkend als de eerste danzón.

Faílde was een muzikant en componist van gemengde afkomst uit matanzas"> Matanzas — een stad met een uitzonderlijk rijk Afro-Cubaans cultureel leven. Zijn danzón absorbeerde zowel de Europese salontradities ( contradanza, danza) als de Afrikaanse ritmische stromingen die door de Matanzas-muziek liepen. Het resultaat was iets nieuws: vloeiender dan de danza, complexer, zinnelijker.

Het was meteen een schandaal en meteen een sensatie.

De dans

Danzón had een unieke structuur als dansvorm:

  1. De paseo — het openingsgedeelte, waarbij paren samen over de dansvloer wandelden zonder te dansen, zichzelf sociaal tentoonstellend
  2. De pauze — de muziek stopt; paren waaieren zichzelf, praten, rusten
  3. De dans — wanneer de muziek het hoofdthema inzet, beginnen paren te dansen, dicht bij elkaar bewegend
  4. Herhaling — secties wisselden af, met pauzes ertussen

Deze stop-start-structuur was in tegenstelling tot elke andere populaire dans. De pauzes waren onderdeel van het sociale ritueel: je kon zien wie met wie danste, oogcontact maken, van partner wisselen. De danzón was evenzeer sociaal theater als dans.

Het eigenlijke dansen was intiem — koppels dicht bij elkaar, subtiele en heupdominante bewegingen, het lichaam betrokken van de taille naar beneden op een manier die Europese dansen niet hadden toegestaan.

De Charanga Francesa

Danzón werd gespeeld door het charanga francesa-ensemble — een format dat de standaard werd voor Cubaanse dansmuziek in de eerste helft van de 20e eeuw:

  • Fluit (leidende melodiestem)
  • Violen (harmonische en melodische textuur)
  • Piano (harmonie en ritme)
  • Bas (baslijn)
  • Güiro (ritmische rasp)
  • Timbales (percussie — de pailas criollas die de Europese pauken vervingen)

Dit geluid — fluit en violen boven percussie — is direct herkenbaar als Cubaanse charanga. Het definieerde danzón, danzonete en later cha-cha-chá.

Evolutie

Danzón stond niet stil:

  • Jaren 1910–1920: Voegde een nieuwe slotpartij (nuevo ritmo) toe met meer ritmische intensiteit — dit was het proto-montuno, en het opende de deur voor de invloed van son
  • 1929: Aniceto Díaz voegde zang toe en noemde het danzonete — een brug tussen danzón en son
  • Late jaren 1930: Arcaño y Sus Maravillas (met bassist Cachao López) ontwikkelde de diablo-sectie — een snellere, meer gesyncopeerde slotpartij die zij " mambo"> mambo" noemden — en de danzón begon in iets geheel anders te transformeren

Sociale context

Danzón was niet slechts vermaak — het was een sociale instelling. De danszalen (academias de baile) waren enkele van de weinige ruimten in koloniaal en vroeg-republikeins Cuba waar Afro-Cubaanse en blanke Cubanen publiekelijk door elkaar kwamen. De raciaal-politieke dimensie van wie met wie danste, in welke zaal, bij welke sociale club, was diep complex en diep gevoeld.

Erfenis

Danzón stelde de mal op waarop elke volgende populaire Cubaanse muziekstijl voortbouwde:

  • Het charanga-ensemble (nog steeds actief vandaag)
  • Het montuno/nuevo ritmo-concept — een open, ritmisch intensieve slotpartij
  • De danszaal als sociale instelling
  • Het principe dat Cubaanse muziek de Europese vorm kon absorberen en omvormen tot iets onmiskenbaar, krachtig Cubaans